Voorbeeld de heer en mevrouw Jansen

De heer en mevrouw Jansen zijn in gemeenschap van goederen getrouwd en hebben twee kinderen. Het gezamenlijke vermogen bedraagt € 350.000, bestaande uit de eigen woning met een waarde van € 340.000 en een bedrag aan spaargeld van € 10.000. De heer Jansen overlijdt. Mevrouw Jansen is op dat moment 67 jaar. In zijn testament heeft de heer Jansen de wettelijke verdeling opgenomen en zijn mevrouw Jansen en de kinderen ieder voor één derde gedeelte tot erfgenaam benoemd. Ook wanneer de heer Jansen geen testament heeft, geldt de wettelijke verdeling en zijn zijn vrouw en de kinderen ieder voor één derde gedeelte erfgenaam.

De nalatenschap van de heer Jansen bedraagt € 175.000 (€ 350.000/2). Mevrouw Jansen en de twee kinderen hebben ieder dus recht op € 58.333 (€ 175.000/3). Op basis van de wettelijke verdeling worden alle goederen en schulden aan mevrouw Jansen toegedeeld en krijgt mevrouw Jansen dus teveel. Hierdoor krijgt mevrouw Jansen een overbedelingsschuld aan de kinderen. De kinderen krijgen ieder een vordering op mevrouw Jansen van € 58.333.

Bij het overlijden van de heer Jansen kan worden gekozen welke rente is verschuldigd over de overbedelingsschuld van mevrouw Jansen . Wanneer voor een bepaalde rente wordt gekozen, is bij het overlijden van de heer Jansen € 7.842 aan erfbelasting verschuldigd. Echter, wanneer voor een andere rente wordt gekozen is, bij het overlijden van de heer Jansen veel minder erfbelasting verschuldigd, namelijk € 2.242.

Afhankelijk van de omstandigheden bij het overlijden van de heer Jansen , zoals de grootte van het vermogen, de levensverwachting van mevrouw Jansen , de beschikbare liquiditeiten om de erfbelasting te betalen en het bestedingspatroon van mevrouw Jansen , kan het verstandig zijn voor een bepaalde rente te kiezen.

mr. drs. Eva Boogaards-Smits

Mobiel: 06 48 47 90 39